 |
8.1.3.4 Hypoglycemie
Bij de interpretatie van glucosewaarden is het essentieel te weten of het bloed werd afgenomen bij een premature of een à terme geboren neonaat en op welk levensuur het monster werd afgenomen omdat in de eerste drie levensuren de glucoseconcentratie zich, na een aanvankelijke scherpe daling, naar een hoger en meer stabiel niveau beweegt. Verder is van belang op welk tijdstip vóór de voeding werd afgenomen, of de bepaling in volbloed c.q. plasma (15% hogere uitkomst dan in volbloed, althans bij normale hematocrietwaarde!) werd verricht en last but not least welke foutenmarge de gebruikte techniek heeft (par. 4). Bij slechte circulatie (hypoperfusie) in de perifere vaten kunnen uitslagen, met name in capillair afgenomen monsters, onbetrouwbaar zijn. De interpretatie wordt nog gecompliceerd doordat in de literatuur geen eenduidige definitie te vinden is van de grenswaarden waaronder men van een hypoglycemie zou moeten spreken die klinische consequenties heeft, anders gezegd onder welke motorische en mentale schade kunnen (gaan) optreden. Om in de praktijk enigszins werkbare grenzen te hebben stellen Koh e.a. (4) op klinische gronden bij à terme geboren neonaten voor: hypoglycemie als postnataal glucoseconcentratie 0 -3 uur <1,9 mmol/l, 3 - 24 uur <2,2 mmol/l en op de 2e levensdag <2,6 mmol/l bedraagt. Deze waarden moeten echter in relatie met de klinische symptomen van de neonaat worden geduid. Indien men een hypoglycemie heeft vastgesteld, is het aan te bevelen direct glucose 10% te geven - dit zal doorgaans oraal zijn, eventueel per sonde - en patiëntje in te sturen.
Verder in deze paragraaf:
 |
Print deze pagina |
|
 |