 |
9.1.2.1 Numerieke chromosoomafwijkingen
Een vermindering van het aantal autosomen leidt meestal tot een spontane miskraam. Dat is ook de reden dat bij naar schatting 40 - 60% van de spontane miskramen een chromosoomafwijking bij de vrucht wordt gevonden. Afwijkingen in het aantal geslachtschromosomen leiden behalve tot infertiliteit vaak alleen tot lichte andere verschijnselen. Het meest bekend zijn het Turner syndroom bij meisjes (45,X of soms aangeduid met XO) en het Klinefelter syndroom dat bij jongens (47,XXY) voorkomt. Overigens leidt een XO chromosoompatroon van de vrucht in meer dan 99% tot een spontane miskraam. Een aantal chromosoomafwijkingen is op grond van de symptomatologie (klinisch) te diagnosticeren. Bevestiging met chromosoom onderzoek is altijd noodzakelijk.
Down syndroom (trisomie 21) De meest frequent voorkomende chromosoomafwijking is de trisomie 21 (chromosoom 21 in drievoud aanwezig), die klinisch het Down syndroom geeft. Bij naar schatting 1 : 200 bevruchtingen ontstaat een trisomie 21; ongeveer 80% van deze zwangerschappen eindigt echter in een spontane miskraam. Bij levendgeborenen heeft naar schatting 1 : 750 kinderen het Down syndroom. De trisomie 21 is het gevolg van een non-disjunctie. Oorzaken van de non-disjunctie zijn niet bekend. Wel weet men dat de maternale leeftijd één der risicofactoren is. Ongeveer 94% van de trisomie 21 is een zogeheten ‘losse’ trisomie en is niet erfelijk. Bij ongeveer 2% van de kinderen met de klinische kenmerken van het Down syndroom treft men een mozaïek-chromosoompatroon aan, d.w.z. een deel der onderzochte cellen heeft een normaal chromosoompatroon, de overige bevatten een chromosoom 21 te veel. Het karyotype is dan: 46, XY; 47,XY+21 in geval het om een jongen gaat. Deze vorm is evenmin erfelijk. Bij de overige 4% gaat het om een trisomie 21 waarbij een translocatie is opgetreden. Het extra chromosoom 21 hecht zich aan een ander chromosoom, bv. aan chromosoom 14, 13, 21 of 22. Ongeveer een kwart van deze translocaties is erfelijk; dan is een van beide ouders drager van een translocatie (bv. 14/21). De translocatie geeft bij de drager geen verschijnselen. Wel betekent het hebben ervan een verhoogd risico op spontane miskramen en kinderen met een chromosoomafwijking. Overigens kan een ouder, die translocatie drager is, ook gezonde kinderen krijgen, die al dan niet zelf ook drager zijn.
Figuur 1. Normaal vrouwelijk chromosoompatroon (karyotype 46,XX) uit gekweekte lymfocyten. Let op het paar X chromosomen; bij een man zou er in dat paar één X chromosoom en één Y zijn. Nummering is bij benadering gedaan in volgorde van de lengte van de chromosomen. Opname: Divisie Medische Genetica, UMCU.
Verder in deze paragraaf:
 |
Print deze pagina |
|
 |